Trauma en verleiding in Freuds studie over de Rattenman
Samenvatting
Op 17 september 1897 schrijft Freud aan Wilhem Fliess dat hij niet meer in zijn verleidingstheorie van de neurose gelooft (Freud 1986, p. 283). Volgens deze theorie hebben alle psychopathologische stoornissen hun oorsprong in een infantiel seksueel trauma. In de context van deze theorie verklaart Freud het feit dat niet alle kinderen op dezelfde wijze op dit trauma reageren door te verwijzen naar de leeftijd waarop het trauma optreedt (Freud 1986, pp. 217-223). Het opgeven van deze theorie wordt meestal als een cruciaal moment in de ontwikkeling van de freudiaanse psychoanalyse opgevat (Gay 1989, pp. 94-96; Izenberg 1991; Phillips 2014, p. 116). Van nu af aan zou Freud de pathogenese van de neurose met de fantasie en niet met een reëel trauma in verband brengen (Schimek 2011). ‹Fantasie› wordt hierbij geregeld aan ‹oedipale fantasie› gelijkgesteld, ondanks het feit dat de tekstuele evidentie deze interpretatie niet echt ondersteunt (Van Haute & Westerink 2016). Freuds ‹oedipale wending› wordt op deze manier in de periode van zijn zelfanalyse gesitueerd (Kris 1952; Anzieu 1988;). De vervanging van de verleidingstheorie door een oedipale theorie waarin het fantasme als etiologische factor centraal staat, wordt dan gezien als de ware geboorteakte van de psychoanalyse (Kris 1952).
Maar wanneer deze interpretatie hout snijdt, hoe kunnen we dan begrijpen dat Freud in verschillende van zijn grote gevalstudies in positieve zin blijft verwijzen naar de oorspronkelijke verleidingstheorie? Zowel in het Fragment van de analyse van een geval van hysterie (Freud 1905e), als in Opmerkingen over een geval van dwangneurose (de ‹Rattenman›) (Freud 1909d) en de studie over de Wolvenman (Freud 1918b) herhaalt Freud de blijvende geldigheid van ‹de oude traumatheorie› (Freud 1918b, p. 558). Deze theorie, zo schrijft Freud bijvoorbeeld in zijn studie over ‹Dora›, moet worden aangevuld, maar ze is niet incorrect (Freud 1905e, pp. 141-142, in noot). Ook in beide andere gevalstudies wordt ze als verklarend model ingeroepen. Minstens in zijn gepubliceerde teksten heeft Freud de verleidingstheorie nooit zonder meer verworpen. Wel integendeel, de verleidingstheorie bleef in Freuds klinische praktijk en theoretische reflectie ook na 1897 een belangrijke rol spelen (Van Haute & Westerink 2020a).
Wanneer we nu even terug keren naar de brief van 17 september 1897 waarvan we uitgingen, dan lezen we daar dat het opgeven van de verleidingstheorie de factor van een erfelijke dispositie opnieuw aan belang doet winnen (Freud 1986, p. 284). Het zijn deze aspecten waarmee de oorspronkelijk theorie moet worden aangevuld. Van nu af aan wordt het trauma in verband gebracht met organische factoren die de betekenis ervan mee bepalen.1 Het fantasme en de (oedipale) fantasie hebben voorlopig alleen een defensieve functie (Freud 1906a).
In wat volgt willen we deze problematiek nader onderzoeken in Opmerkingen over een geval van dwangneurose (de ‹Rattenman›). Freud introduceert in deze tekst voor het eerst het vadercomplex, wat er ongetwijfeld toe heeft bijgedragen dat veel auteurs aan deze studie een oedipale interpretatie hebben gegeven (Mahony 1986). Wij willen in dit artikel laten zien hoe een herwaardering van het belang van het trauma en constitutionele factoren de oedipale lectuur ervan — het etiologisch belang van oedipale fantasieën — in belangrijke mate relativeert.
Enkele opmerkingen over het ziektebeeld
Ernst Lanzer bezoekt Freud voor het eerst op 1 oktober 1907 naar aanleiding van een paniekaanval. Hij kreeg deze aanval nadat hij tijdens een militaire oefening van een wreedaardige kapitein het verhaal hoorde van een marteling uit de Oriënt waarbij een pot met daarin een rat in omgekeerde stand op iemands zitvlak wordt aangebracht. Deze rat baant zich dan een weg uit de pot via de anus van het slachtoffer. Toen hij dit verhaal hoorde werd Lanzer overvallen door de voorstelling dat deze marteling iemand die hem erg dierbaar was — zijn vader of een dame op wie hij reeds sinds jaren verliefd was — zou overkomen (Freud 1909d, p. 23). Het belang van dit verhaal in zijn ziektegeschiedenis bezorgt Lanzer zijn bijnaam: de Rattenman.
Lanzer was tijdens de militaire oefening zijn bril verloren en had om geen tijd te verliezen een nieuwe besteld bij zijn Weense opticien met het verzoek deze op te sturen. Op de avond van dezelfde dag waarop hij het rattenverhaal hoorde, overhandigde de wrede kapitein hem zijn nieuwe bril, met de boodschap hiervoor luitenant A., die de betaling voorgeschoten zou hebben, terug te betalen. Op dat moment vormde zich de gedachte ‹het geld niet teruggeven, anders gebeurt «het» (de marteling van zijn vader en de dame)› (1909d, p. 24). Dit bevel was alleen al hierom vreemd omdat zijn vader al enkele jaren overleden was. Onmiddellijk na het eerste bevel kwam evenwel ook het tegenovergestelde: ‹eerst luitenant A teruggeven wat hem toekomt› (1909d, p. 24). De wetenschap dat luitenant A. de som niet voorgeschoten had, maar de vrouwelijke postbeambte, verandert hier niets aan. Dit belette hem niet fanatiek aan de klaarblijkelijk onzinnige eed, luitenant A. te vergoeden, vast te houden. In de volgende dagen ontwikkelt Lanzer de ene vreemde strategie na de andere om zijn eed gestand te doen, om dit dan vervolgens weer onmogelijk te maken. Hij geraakt hierdoor in opperste verwarring.
De vrees dat iets ergs zou kunnen gebeuren met zijn dame, en meer nog met zijn vader die hij aanbidt, speelt een centrale rol in het leven van Ernst Lanzer (1909d, p. 17). Hij lijdt ook aan tal van dwanggedachten en dwangimpulsen. Deze kunnen volgens Freud verduidelijkt worden door ze terug te plaatsen in het leven van de patiënt (Freud 1909d, p. 37). Op de dag dat zijn vriendin bijvoorbeeld moet vertrekken, verlegde Ernst per ongeluk met zijn voeten een steen op straat. Wanneer hij zich realiseert dat zijn vriendin hier straks ook voorbij zal komen voelt hij zich gedwongen deze steen terug op zijn plaats te leggen, uit vrees dat haar wagen door die steen schade zou oplopen. Vervolgens realiseert hij zich dat dit onzin is en voelt hij de onweerstaanbare dwang om de steen weer terug te leggen. Volgens Freud kunnen we deze dubbele handeling alleen begrijpen als de uitdrukking van een verwoede ‹[…] strijd tussen liefde en haat, die dezelfde persoon betreffen […]› (1909d, p. 40).
De heftigheid van Ernst Lanzers vijandige impulsen komt volgens Freud nog duidelijker tot uiting in het volgende voorbeeld. Wanneer zijn dame tijdens een periode waarin Lanzer hard moet studeren haar zieke grootmoeder gaat bezoeken om deze te verzorgen, schiet hem plots de volgende gedachte door het hoofd: ‹Het bevel om op de eerst mogelijke datum in dit semester examen te doen is desnoods te accepteren. Maar hoe zou het zijn als je het bevel kreeg om met een scheermes je keel door te snijden?› (1909d, p. 37). Wanneer hij vervolgens zijn scheermes wou nemen, viel hem in dat hij naar de grootmoeder moest gaan en haar de keel opensnijden. De ontstaansgeschiedenis van deze dwanggedachte drong zich in omgekeerde volgorde aan hem op. De agressieve impuls tegen de grootmoeder was eerst ontstaan, maar wordt in het bewustzijn van Ernst Lanzer voorafgegaan door het straffende bevel zich de keel open te snijden.
Dwanghandelingen treden volgens Freud vaak in twee fasen op. Deze fasen zijn volgens hem de uitdrukking van een onophoudelijke strijd tussen liefde en haat. In tegenstelling tot de hysterie, waarin het symptoom een compromis is tussen verschillende bewuste en onbewuste strevingen, worden hier de beide strevingen afzonderlijk, de ene na de andere, bevredigd (1909d, p. 41).
Het elementaire organisme van de neurose
Ernst Lanzer heeft voortdurend schrik dat iets ergs, zoals de rattenmarteling, aan iemand die hij liefheeft zal overkomen. Meer nog dan zijn dame, betreft deze angst zijn vader. De angst dat zijn vader zou sterven achtervolgt hem al sinds zijn kindertijd (1909d, p. 20). Er is dus alle reden om deze kindertijd van naderbij te bekijken.
Reeds in de eerste zitting van de behandeling vertelt Ernst Lanzer aan Freud dat hij als kind een ‹brandende, martelende nieuwsgierigheid› had om vrouwen naakt te zien (1909d, p. 19). Dit verlangen was ontstaan nadat hij op een avond een mooie gouvernante, juffrouw Peter, onder haar rokken had mogen betasten (1909d, p. 18). Ook later was hij seksueel zeer actief. Toen hij zes was, wachtte hij gespannen op het moment waarop een andere gouvernante, juffrouw Lina, de abcessen op haar achterwerk uitduwde (1909d, p. 19). Hij permitteerde zich veel vrijheden bij haar en had in die tijd ook veel last van erecties waarover hij zich bij zijn moeder beklaagde. Kortom, de kindertijd van Ernst Lanzer werd gekenmerkt door grote seksuele activiteit en lustervaringen (1909d, p. 22).
Dit is evenwel niet alles. Telkens wanneer het verlangen opkwam om meisjes en vrouwen op wie onze patiënt gesteld was, naakt te zien, bekroop hem ook de angst dat er iets ergs zou gebeuren wanneer hij dat dacht en ook dat hij hiertegen gepaste maatregelen diende te treffen. Lanzer beschouwt dit alles als het begin van zijn ziekte.
Volgens Freud gaat het hier integendeel reeds om de ziekte zelf. Het kind is immers in de greep van sterke seksuele driftcomponenten. Deze hebben weliswaar in deze infantiele periode nog geen dwangmatig karakter, maar dat is alleen omdat ze voorlopig nog als egosyntoon worden ervaren. Toch vormt zich reeds een conflict: naast de wens staat een met deze wens verbonden dwangmatige vrees.
Ook al blijft iets ‹ergs› in eerste instantie vaag, het vergt volgens Freud niet veel aandringen om te achterhalen dat deze generalisering moet verbergen dat het hier om de dood van de vader gaat: ‹Als ik dat denk, moet mijn vader sterven›. Freud besluit: ‹Dus: een erotische drift en een protest, een (nog niet dwangmatige) wens en een (wel al dwangmatige) — die wens wederstrevende — vrees, een pijnlijk affect en een aandrang tot het verrichten van afweerhandelingen; de inventaris van de neurose is voltallig› (1909d, p. 21). Dit is het elementaire organisme van de dwangneurose van Ernst Lanzer dat de sleutel is tot zijn pathologie (1909d, p. 20).
Trauma en vadercomplex
De structuur van het zojuist besproken elementair organisme van Lanzers dwangneurose is herkenbaar doorheen Freuds beschrijving van de ziektegeschiedenis en van de analyse. Toen hij op twaalfjarige leeftijd verliefd was op een meisje dat maar lauw op zijn avances reageerde, dacht Ernst plots dat zij wel lief zou zijn voor hem, mocht zijn vader sterven (1909d, p. 31). En op volstrekt vergelijkbare wijze schoot hem enkele maanden voor het overlijden van zijn vader de gedachte door het hoofd dat diens dood de materiële omstandigheden zou helpen creëren die hem zouden toelaten met zijn dame te huwen.
Deze en vergelijkbare voorstellingen verrassen Ernst Lanzer ten zeerste en lijken hem ongeloofwaardig omdat hij nooit bewust de dood van zijn vader heeft gewild. Zijn vader was overigens zijn beste en intieme vriend (1909d, pp. 33, 47) die hem het allerdierbaarst was (1909d, p. 32). Freud schrijft dat juist intense liefde de voorwaarde voor verdrongen haat is (1909d, p. 32). De voorstelling dat zijn vader zou sterven is een vervormde uitdrukking van de wens dat dit zou gebeuren en deze wens toont volgens Freud Lanzers haat tegenover zijn vader. Zijn grote liefde laat evenwel niet toe dat deze haat bewust blijft. De haat wordt verdrongen naar het onbewuste.
Ernst Lanzer voegt hieraan toe dat hij weliswaar veel van zijn dame heeft gehouden, maar dat echt zinnelijke wensen zoals die in zijn jeugd aanwezig waren, tegenover de dame ontbreken. In het algemeen waren de zinnelijke strevingen in zijn kinderjaren trouwens veel sterker geweest dan later (1909d, p. 34). Op deze manier geeft Lanzer volgens Freud aan wat de bron is van de haat tegen zijn vader. Deze bron is blijkbaar van de orde van zinnelijke begeerte. Aangezien verder de preoccupatie met de dood en dus de haat tegenover zijn vader hem reeds sinds zijn zesde levensjaar plaagt, moet deze bron betrekking hebben op een infantiel conflict tussen zinnelijkheid en kinderliefde. Of meer precies, de haat vindt zijn oorsprong in een vroegtijdig traumatisch of traumatiserend conflict met de macht of de instantie die de bevrediging van de infantiele zinnelijke verlangens in de weg stond (1909d, p. 34). Freud verwijst hierbij expliciet naar de oude verleidingstheorie (1909d, p. 21).
Welke is dan de traumatische ervaring die volgens Freud ten grondslag ligt aan de dwangneurotische pathologie van Ernst Lanzer? Freud verwijst hiervoor naar een seksuele gebeurtenis die op onanie betrekking heeft. Lanzer heeft zelf geen rechtstreekse herinnering aan deze gebeurtenis, maar ze werd hem vaak verteld door zijn moeder. Toen hij nog zeer klein was moet hij iets heel ergs hebben uitgehaald. Het blijft enigszins onduidelijk wat Lanzer precies had gedaan.
Freud vermoedt dat het om masturbatie (‹auto-erotische seksualiteit›) ging, maar zijn moeder vertelt dat hij gebeten had (1909d, p. 51). Zijn vader had hem hoe dan ook zeer zwaar aangepakt en afgeranseld. Omdat de kleine Ernst zelf toen nog geen scheldwoorden kende, had hij zijn vader uitgemaakt met de woorden die hij wel kende: ‹jij lamp, jij handdoek enzovoort› (1909d, p. 50). Deze gebeurtenis zou zowel op hemzelf als op zijn vader een erg grote indruk hebben gemaakt (1909d, p. 51). Niet alleen heeft zijn vader hem sindsdien nooit meer geslagen, maar vooral meent Ernst dat deze gebeurtenis aan de basis ligt van een karakterverandering: uit angst voor zijn eigen woede, is hij sindsdien laf geworden (1909d, p. 51).
We moeten even stil blijven staan bij de structuur van deze traumatische gebeurtenis. Het verbod door de vader is niet rechtstreeks verantwoordelijk voor de onlust en de verdringing van de infantiele seksuele activiteit die aan de oorsprong ligt van de zelfverwijten en de dwanggedachten die zo kenmerkend zijn voor Lanzers ziektebeeld. Wat deze gebeurtenis volgens Freud traumatisch maakt is eerder de angst voor de eigen woede. Het is ook deze angst die de karakterverandering verklaart waarover hij bitter klaagt. Sinds het voorval met zijn vader is hij inderdaad laf geworden. Deze lafheid uit zich volgens hem op velerlei manieren. Hij is bang voor slaag en kan het niet aanzien wanneer andere kinderen afgeranseld worden (1909d, p. 51). Maar de lafheid toon zich ook op andere manieren. Zo bedenkt Ernst complexe en onzinnige strategieën om zijn schuld aan de loketbediende te voldoen zonder te verzaken aan zijn eed luitenant A. te vergoeden. Uit lafheid, zo zegt hij, laat hij deze strategieën mislukken zodat hij hun gênante onzinnigheid niet open en bloot moet tonen. Maar ook de eed voldoen zou slechts een uiting zijn van lafheid. Zo zou hij immers alleen maar van zijn dwanggedachten proberen af te geraken (Freud 1955a, p. 96).
Het traumatische conflict met de vader uit de kindertijd ligt aan de oorsprong van wat Freud het vadercomplex noemt dat de dwangneurose karakteriseert (Freud 1909d, pp. 47-61). Deze notie verwijst naar de ambivalente relatie met de vader die enerzijds geliefd is (‹hij was mijn beste vriend›), maar tegelijk gehaat wordt (hij staat in de weg van de auto-erotische lustbeleving). De haat tegenover de vader wordt volgens Freud naar het onbewuste verdreven om een openlijk conflict tussen deze beide tendensen te vermijden (1909d, p. 75), terwijl de bewuste liefde tegelijk wordt geïntensifieerd om deze verdringing in stand te houden. Dit vadercomplex maakt het nu mogelijk het ziektebeeld en meer in het bijzonder enkele dwanggedachten en dwangsymptomen van Ernst Lanzer verder de verhelderen. Freuds klinische logica wordt zo duidelijk.
Verdere verklaring van enkele dwangsymptomen
De moeder van Ernst Lanzer vertelt hem op een dag dat een rijke neef van haar bereid is hem zijn dochter ten huwelijk te schenken, wanneer hij zijn studies afmaakt. Dit huwelijk zou ook mooie professionele perspectieven openen. Het zou wel impliceren dat hij zijn liefde voor zijn dame, die financieel minder verwend was, zou moeten opgeven. Op deze manier bevond Ernst zich plots in de situatie waarin ook zijn vader zich ooit had bevonden.
Ook zijn vader had ooit moeten kiezen tussen een arme vrouw op wie hij verliefd was en een rijke erfgename die later de moeder van Ernst Lanzer zou worden. Er ontbrandt in Ernst een conflict of hij zijn arme geliefde trouw moet blijven of in de voetstappen van zijn vader treden, met wie hij zich identificeert (1909d, p. 45). Dit conflict tussen zijn liefde en de doorwerkende kracht van zijn vader die deze liefde en bij uitbreiding de zinnelijkheid verbiedt, vormt de kern van Lanzers pathologie. Het herhaalt het infantiele trauma dat we eerder bespraken. Lanzer probeert dit conflict op te lossen door in de ziekte te vluchten (1909d, p. 46).
Ernst Lanzer heeft zijn bijnaam, de ‹Rattenman›, te danken aan het verhaal van de marteling en de betekenis ervan voor zijn ziektegeschiedenis. Waarom heeft dit verhaal op hem zo een grote impact? Freud heeft het in dit verband over ‹complexgevoeligheid› (1909d, p. 54). Dit verhaal raakt, mede via de meerduidigheid van het woord ‹rat›, gevoelige plekken in het onbewuste van Ernst Lanzer (1909d, p. 54). Zo roept dit woord bijvoorbeeld een herinnering op aan een verhaal over zijn vader. Toen deze in het leger was zou hij in grote problemen zijn geraakt, mocht een vriend niet voor de terugbetaling van een kleine speelschuld geld hebben voorgeschoten. Zijn vader was een ‹Spielratte› (een fanatieke speler). De woorden van de wrede kapitein dat hij luitenant A. moet terugbetalen klonken voor Lanzer als een toespeling op de niet ingeloste schuld van de vader.
We kunnen de meerduidige verbindingen van het woord ‹rat› met Ernst Lanzers onbewuste hier niet in detail uitwerken (1909d, pp. 54-58). We beperken ons dan ook tot enkele wezenlijke aspecten van de meer algemene relatie tussen het verhaal van de marteling en de infantiele gebeurtenis die we eerder bespraken. Lanzer had volgens Freud al snel een verbinding gelegd tussen het verhaal over de straf en de kinderscène waarin hij gebeten of gemasturbeerd had. De kapitein die in staat was zulke straffen aan te prijzen werd ook mede hierdoor een plaatsvervanger van de vader en hij absorbeerde hierdoor minstens een deel van de wrok en de haat die Lanzer tegenover zijn vader had gevoeld. Het denkbeeld dat deze straf ook iemand die hem dierbaar is zou kunnen overkomen, moet volgens Freud vertaald worden als ‹zoiets zou jou moeten overkomen› en deze gedachte was meteen ook reeds tegen zijn vader gericht (1909d, p. 59). Wanneer de wrede kapitein hem enige tijd later abusievelijk opdraagt om luitenant A. terug te betalen, is zijn spontane reactie een honende opmerking: ‹Zeg wat denk je wel?› Maar onder invloed van de infantiele scène en het vadercomplex verbindt hij deze hoon aan een onvervulbare voorwaarde die hiernaar verwijst: ‹Ik zal terugbetalen, als mijn vader (die al overleden is) en mijn geliefde (die een vasectomie onderging) kinderen krijgen›. De hoon tegenover de twee personen die hij het meest bemint is voor de Rattenman onaanvaardbaar. Eens deze misdaad is gepleegd, volgt bijgevolg onvermijdelijk de straf. Hij legt zichzelf nu de verplichting op een eed te respecteren die hij onmogelijk gestand kan doen en waarvan hij weet dat hij op foutieve vooronderstellingen berust (1909d, p. 59).
In Over de etiologie van de neurose (Freud 1896c), op het hoogtepunt van de verleidingstheorie, had Freud aangegeven dat een trauma zowel een geschiktheid tot determinering dient te bezitten als de nodige traumatische kracht (1896c, p. 789) om als verklarende oorzaak voor de hysterische en bij uitbreiding dwangneurotische symptomen te kunnen gelden. Over de traumatische kracht van de infantiele gebeurtenis die het leven van Ernst Lanzer bepaalt, kunnen we kort zijn. Aangezien ze tot een karakterverandering leidt, kan aan haar kracht moeilijk worden getwijfeld. Maar deze gebeurtenis bezit evenzeer de geschiktheid tot determinering waar Freud om vraagt. Er kan inderdaad volgens Freud een duidelijk verband aangetoond worden tussen dit trauma en de inhoud van de verschillende dwangmatige symptomen.
De verleidingstheorie in Opmerkingen over een geval van dwangneurose
Uit dit alles volgt uiteraard niet dat Freud in zijn studie over de Rattenman onverkort zijn oude verleidingstheorie zou verdedigen. Maar minstens is duidelijk geworden dat een eenvoudige verwijzing naar het oedipuscomplex ook niet volstaat om Freuds standpunten over de dwangneurose in deze tekst te begrijpen. We kunnen deze verwijzing naar het oedipuscomplex evenwel niet verder uitwerken, zonder eerst Freuds gebruik van de verleidingstheorie in Opmerkingen verder uit te diepen.
We zeiden reeds in onze inleiding dat het infantiele trauma in de teksten na 1897 in principe alleen nog werkdadig kan zijn in relatie tot constitutionele en dispositionele elementen. Vanaf De dispositie tot dwangneurose uit 1913 en in de derde editie van zijn Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit uit 1915 brengt Freud systematisch de anale erotiek met het sadisme in verband.2 Hij bespreekt in deze teksten een anaal-sadistische organisatievorm van de libido die er een noodzakelijke en onvermijdelijk ontwikkelingsfase van is. In deze fase van de libido spelen anale lustbelevingen en agressieve, controlerende tendensen een hoofdrol. De dwangneurotische dispositie verwijst naar een fixatie in deze fase waarnaar de libido kan terugkeren wanneer zich moeilijkheden voordoen in de ontwikkeling van een individu (bijvoorbeeld het verbod van de vader). Deze dispositie is opgebouwd uit constitutionele (bijvoorbeeld een sterk ontwikkelde sadistische component van de libido) en accidentele elementen.
Het idee van een dwangneurotische dispositie ontbreekt als zodanig nog in de gevalstudie die we hier bespreken. Enkele essentiële elementen ervan zijn evenwel reeds aanwezig. Zo schrijft Freud dat de rattenstraf de anaalerotiek oprakelde die in de kindertijd van Ernst Lanzer een grote rol had gespeeld en die in stand werd gehouden doordat hij jarenlang last van wormen had gehad. Daarnaast stelt Freud dat in de dwangneurose in het algemeen en bij de Rattenman in het bijzonder de sadistische component van de libido constitutioneel zeer sterk ontwikkeld is ‹en daarom voortijdig en al te grondig (werd) onderdrukt› (1909d, p. 76). De tussenkomst van de vader reactiveert en prikkelt deze sadistische component, wat de woede van Ernst verklaart.
De werkzaamheid van het trauma zoals we het beschreven, kan dus niet begrepen worden los van vooraf bestaande constitutionele elementen. De woede die Ernst beangstigt en die het traumatisch gehalte van de infantiele gebeurtenis bepaalt, is hier een uitdrukking van. Het trauma speelt hier weliswaar niet meer dezelfde oorzakelijke rol als in de oorspronkelijke verleidingstheorie, maar het blijft in een dynamische wisselwerking met constitutionele elementen wel bepalend voor de pathologie.
In De dispositie tot dwangneurose maakt Freud deze constitutionele en dispositionele elementen — bijvoorbeeld de fixatie aan de anaal-sadistische fase — verantwoordelijk voor de keuze van het type neurose (Neurosenwahl). In Opmerkingen over een geval van dwangneurose stelt Freud nochtans dat wij ons moeten voorhouden ‹[…] dat wij bij alle neurosen (hysterie, dwangneurose en paranoia) de symptoomdragers in dezelfde onderdrukte driften ontdekken› (1909d, p. 75, onze cursivering en onze toevoegingen tussen haakjes). De neurosekeuze hangt alleen af van de specifieke afweermechanismen, niet van welke driften worden afgeweerd (1909d, p. 75).
Freud kan tegelijk evenwel niet ontkennen dat in de dwangneurose een zeer specifieke driftproblematiek op de voorgrond treedt: een overspannen liefde die een onbewuste haat moet onderdrukken. Hierover schrijft Freud: ‹Het is verheugend te zien hoe vlot wij de raadselachtige processen van de dwangneurose nu kunnen begrijpen door ze met deze ene factor in verband te brengen› (1909d, p. 76). Freud slaat dus zijn eigen waarschuwing in de wind en verbindt de dwangneurose met een specifieke dispositionele driftproblematiek, de strijd tussen liefde en haat. Deze is zelf intrinsiek verbonden met een constitutioneel versterkt sadisme.3
Het vadercomplex en de oedipale problematiek
Wat moeten we dan met het vadercomplex dat vaak als een voorloper van het oedipuscomplex wordt geïnterpreteerd? Wat ligt er inderdaad meer voor de hand dan de libidineuze verlangens die de vader van Ernst verbiedt in oedipale zin te interpreteren: de vader is een concurrent in de strijd om de moeder en de haat is hiervan een gevolg. Dit impliceert meteen dat het verbod van de vader een reeds bestaande (oedipaal gemotiveerde) ambivalentie aan de oppervlakte brengt. Freud heeft het evenwel uitsluitend over de auto-erotische en onanistische activiteiten van Ernst die door de vader verboden werden (1909d, p. 109). De vader wordt ook nergens in de ziektegeschiedenis als een concurrent in een strijd om het bezit van de moeder opgevoerd.
Ook in de notities bij deze gevalstudie is dit het geval, zelfs al speelt de moeder hierin een veel grotere rol dan in de gepubliceerde versie. De moeder wordt in deze notities overigens ook als obstakel voor de seksuele activiteiten van Ernst opgevoerd en dus in dit opzicht als opvolger van de vader (Freud 1955a, p. 121). Freuds beschrijving van het kerncomplex van de neurose beantwoordt in de tekst over de Rattenman ook niet aan het klassieke oedipuscomplex. Elke verwijzing naar de moeder ontbreekt er immers in en Freud vermeldt opnieuw slechts een verbod op auto-erotiek: ‹Het past volledig bij het infantiele kerncomplex, dat de vader de rol van seksuele tegenstander en verstoorder van de auto-erotische seksuele activiteit toebedeeld krijgt, en de realiteit heeft hierin meestal een flink aandeel› (1909d, p. 53, in noot).
In Opmerkingen sluit de bespreking van de relatie tussen ouders — in het bijzonder de vader — en kinderen, eerder aan bij de manier waarop Freud deze verhouding thematiseert in Infantiele theorieën over de seksualiteit. Hij noemt er de aanwezigheid van de ouders ‹een realiteit die verder niet onderzocht hoeft te worden› (Freud 1908c, p. 376). Dit wordt ook in de tekst over De familieroman van de neuroticus uit dezelfde periode zijn uitgangspunt: de ouders zijn gegeven, hun aanwezigheid en hun rol worden niet op beslissende wijze ter discussie gesteld. Het is slechts later, bij de aanvang van de pubertijd, dat de verhouding met de ouders wordt omgevormd en ‹geseksualiseerd›, in het bijzonder in de relatie tot de moeder die nu het voorwerp wordt van incestueuze fantasieën (Freud 1909c; Westerink & Van Haute 2020b
Freud beschrijft de verhouding tussen de Rattenman en zijn ouders op analoge wijze. Zo schrijft hij in een voetnoot ‹dat de «eerste jeugdherinneringen» van de mens pas op latere leeftijd (meestal gedurende de pubertijd) worden vastgelegd en daarbij aan een gecompliceerd omwerkingsproces worden onderworpen dat volstrekt analoog is aan de sagevorming van een volk over zijn prehistorie› (Freud 1909d, p. 51). De toespelingen in Lanzers dromen op de seksuele begeerten ten aanzien van de moeder waarover Freud het in dezelfde voetnoot heeft, moeten ook in dit perspectief worden begrepen. Freud stelt inderdaad dat de opgroeiende mens in de fantasieproducten over zijn vroegste jeugd de herinnering aan zijn eigen auto-erotische activiteit probeert te verdoezelen ‹doordat hij zijn herinneringssporen naar het niveau van de objectliefde opheft, dus als een ware geschiedschrijver het verleden in het licht van het heden wil zien› (1909d, p. 51). Deze oedipale fantasieën liggen dus niet aan de oorsprong van het pathogene conflict. Ze helpen Ernst alleen om zich tegen de herinnering aan de eigen seksuele activiteit te verdedigen.
Ook de weergave van de rol van de vader blijft trouwens seksueel neutraal. Het is een correcte man en een rolmodel voor zijn zoon met wie hij een goede en liefdevolle relatie had. Slechts wanneer de vader de auto-erotische activiteit van de kleine Ernst verbiedt, verandert alles. De vader wordt vanaf dit ogenblik het object van een sterke sadistische drift die integraal deel uitmaakt van de libido. Pas nu wordt de vader bijgevolg een volwaardig deel van de libidineuze economie van de Rattenman. Het verbod (en het trauma) leidt tot een voortijdige seksualisering van de relatie tot de vader (en de ouders) en niet omgekeerd. Dit laatste is evenwel in een oedipale lectuur voorondersteld.
Conclusie
Onze lectuur van Freuds tekst over de ‹Rattenman› laat duidelijk zien dat Freud de verleidingstheorie na 1897 niet zozeer verlaten heeft, maar veeleer — zoals hij zelf in de studie over ‹Dora› aangeeft — aangepast heeft (Freud 1905e, p. 141, in noot). Deze aanpassing bestaat hierin dat van nu af aan de werkzaamheid van het (reële) trauma niet langer los van constitutionele en dispositionele factoren kan worden begrepen. Zo is de karakterverandering van de Rattenman die aan de basis ligt van zijn pathologie een effect van de interactie tussen constitutionele (een sterk ontwikkelde sadistische drift) en accidentele elementen (de interventie van de vader). De structuur van de pathologie van Ernst Lanzer wordt derhalve bepaald door deze interactie en de effecten ervan en niet door in de pubertijd geconstrueerde defensieve (oedipale) fantasieën.
Manuscript ontvangen 30 maart 2020
Definitieve versie 4 juli 2021
Literatuur
- Anzieu, D. (1988). L'auto-analyse de Freud et la découverte de la psychanalyse. Paris: PUF.
- Freud, S. (1896c). Over de etiologie van de neurose. In Werken 1 (pp. 785-812). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1905e). Fragment van de analyse van een geval van hysterie (‹Dora›). In Werken 4 (pp. 119-225). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1906a). Mijn inzichten over de rol van de seksualiteit in de etiologie van de neurose. In Werken 4 (pp. 226-237). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1908c). Infantiele theorieën over de seksualiteit. In Werken 4 (pp. 372-387). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1909c). De familieroman van de neuroticus. In Werken 4 (pp. 545-550). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1909d). Opmerkingen over een geval van dwangneurose (de ‹Rattenman›). In Werken 5 (pp. 11-82). Amsterdam: Boom.
- Freud, S. (1913i). De dispositie tot dwangneurose. In Werken 6 (pp. 241-253). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1918b). Uit de geschiedenis van een kinderneurose (‹De Wolvenman›). In Werken 6 (pp. 479-582). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1955a). Oorspronkelijke notities betreffende de ‹Rattenman'. In Werken 5 (pp. 83-152). Amsterdam: Boom, 2006.
- Freud, S. (1986). Briefe an Wilhelm Fliess (1887-1904). Ungekürzte Ausgabe. Herausgegeben von Jeffrey Moussaieff Masson. S. Fischer: Frankfurt am Main.
- Gay, P. (1989). Sigmund Freud. A Life for our Time. New York/London: Anchor books.
- Izenberg, G.N. (1991). Seduced and abandoned. The rise and fall of Freud's seduction theory. In J. Neu (Ed.), Cambridge companion to Freud (pp. XX-XX). Cambridge: Cambridge University Press.
- Kris, E. (1952). Einleitung zur Erstausgabe. In S. Freud (1985). Briefe an Wilhelm Fliess (pp. 519-561). [plaats: uitgever]
- Mahony, P. (1986). Freud and the Rat Man. New Haven and London: Yale University Press.
- Phillips, A. (2014). Becoming Freud. The making of a psychoanalyst. New Haven/London: Yale University Press.
- Schimek, J-G. (2011), Memory, myth and seduction. Unconscious fantasy and the interpretative process. New York/London: Routledge.
- Van Haute, Ph., & Geyskens, T. (2010). Woede, wellust en weifelzucht: Een freudiaanse symptomatologie van de dwangneurose. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 16(1), 27-38.
- Van Haute. Ph., & Westerink, H. (2016). Hysteria, sexuality and the deconstruction of normativity. In S. Freud, Three essays on the theory of sexuality. The 1905 edition. London/New York: Verso.
- Van Haute, Ph., & Westerink, H. (2020a). Trauma und Disposition in Freuds Fallstudien. Luzifer-Amor. Zeitschrift zur Geschichte der Psychoanalyse, 33(66), 117-134.
- Westerink, H. (2015). De problematische plaats van de woede in het denken van Freud over agressiviteit. Tijdschrift voor Filosofie, 77(4), 719-746.
- Westerink, H., & Van Haute, Ph. (2020b). ‹Family romance› and the Oedipalization of Freudian psychoanalysis. Psychoanalysis and History, 22(2), 175-187.
Noten
- 1.Freuds taalgebruik is in deze context niet altijd even duidelijk. Hij heeft het over ‹Konstitution›, ‹Disposition› en ‹Anlage› zonder deze begrippen altijd duidelijk van elkaar af te grenzen. Soms lijkt hij ‹Konstitution› en ‹Disposition› bijvoorbeeld als synoniemen te gebruiken. Progressief tekent zich evenwel een duidelijk verschil af tussen ‹constitutie› en ‹aanleg› enerzijds, ‹dispositie› anderzijds. Zo zegt Freud over ‹disposities› in over de ‹De dispositie tot dwangneurose› (Freud 1913i) dat het om een ontwikkelingsstoornis gaat die vanuit een wisselwerking tussen erfelijke factoren (aanleg: bijvoorbeeld een constitutioneel versterkte anaal-sadistische drift) en omgevingsfactoren (ervaringen, indrukken) tot stand komt.
- 2.Dit is een uitwerking van een eerder inzicht dat de anale erotiek met controle en bemeestering in verband bracht en dat hij reeds in de eerste editie van Drie verhandelingen formuleerde.
- 3.In een eerdere publicatie hebben we aangetoond dat Freud in deze context op niet onproblematische wijze haat en woede als inwisselbare begrippen behandeld. Over deze problematiek en de gevolgen ervan zie Van Haute & Geyskens 2010; Westerink 2015.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 1382-516x
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.
Nieuwsbrief Boom Psychologie
Meld u nu aan en ontvang maandelijks de Boom Psychologie nieuwsbrief met aantrekkelijke aanbiedingen en de nieuwe uitgaven.
Aanmelden


