Over turbulentie in psychoanalytische verenigingen
Samenvatting
Het Institutional Matters Forum, een werkgroep van de European Psychoanalytical Federation, verenigt psychoanalytici uit zeven Europese landen. Als huidig voorzitter van de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse heb ik meerdere van hun bijeenkomsten bijgewoond, wat mijn belangstelling voor het boek Dynamics of psychoanalytic institutions alleen maar heeft aangewakkerd.
Bespreking van
Jasminka Šuljagić (red.) (2025). Dynamics of psychoanalytic institutions — Legacy, transformation and becoming. Londen: Routledge. ISBN 9781032686226, 186 pp., £ 25,59
Šuljagić en haar collega-auteurs verkennen de complexe dynamieken binnen psychoanalytische verenigingen: hun historische wortels, groeipijnen, breuken, vernieuwingen, en niet het minst hun kwetsbaarheid.
De historiek van de International Psychoanalytical Association (IPA) vormt het vertrekpunt in het boek. Wat begon als Freuds woensdagavondbijeenkomsten in 1902 — laagdrempelig en open —, groeide al snel uit tot een georganiseerde vereniging met statuten, congressen en een wetenschappelijke missie. De oprichting van de Weense Vereniging in 1908, gevolgd door de IPA, markeerde die overgang. Freud, zich bewust van het opkomende antisemitisme, trachtte de psychoanalyse te verankeren buiten de grenzen van het hebben van een Joodse identiteit.
De vroege geschiedenis werd gekenmerkt door conflicten: Adler, Stekel en Jung verlieten de IPA omdat ze op een aantal terreinen van mening verschilden met Freud en zich door hem niet genoeg erkend voelden. Later volgden discussies over lekenanalyse, de opleiding (het Eitingon-model) en de kinderanalyse. De controverses tussen Klein en Anna Freud waren fel, maar leidden opmerkelijk genoeg niet tot een breuk in de British Society. De politieke context — het nazisme, de Holocaust — had wél diepgaande institutionele gevolgen: bloeiende verenigingen verdwenen (zoals Boedapest) of verkommerden (zoals Wenen). Londen nam de rol van centrum over.
Frankrijk kende na de oorlog, en dan vooral in de jaren vijftig, hevige interne strijd. Chervet beschrijft hoe pragmatische aanpassingen, zoals lagere frequentie van de analyse en collectieve supervisie, noodzakelijk waren om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag, ondanks een klein aantal opleiders. Intern woedde een ideologische strijd: Lagache en Lacan streefden academische erkenning na, Nacht verdedigde de autonomie van het analytische veld. Lacan werd niet meer erkend als opleider door de IPA, omdat hij een variabele sessieduur propageerde. De Franse nadruk op vrijheid en het scheiden van rollen (persoonlijke analyse versus opleiding) zorgt voor een fundamenteel verschil met het Angelsaksische model. Het Franse opleidingsmodel kenmerkt zich niet alleen door een lagere sessiefrequentie, maar huldigt een andere visie op psychische (dis)continuïteit.
Andere bijdragen tonen de lange en vaak moeizame weg naar erkenning als component society binnen de IPA. De Hongaarse vereniging moest na het communistische verbod op analyse bijna volledig opnieuw beginnen (Szönyi). In Wenen betekende het IPA-congres van 1971 — met Anna Freud als aanwezige — een symbolisch keerpunt (Diercks). Later ontstond er een originele samenwerking tussen twee Weense verenigingen die, zonder fusie, toch samen een huis en opleidingsverantwoordelijkheid delen. Ylander beschrijft hoe een fusie in Zweden wél plaatsvond, als logisch vervolg op reeds bestaande samenwerking — deels uit noodzaak: minder instroom, vergrijzende opleiders.
Wat mij bijzonder treft in het boek, is de herkenbaarheid van de problemen die besproken worden. De overgang van een kleine groep met een ondernemende geest naar een grotere, hiërarchisch georganiseerde vereniging blijkt moeilijk (Stokoe). Er is vaak een regressieve tendens: men verlangt terug naar een intieme, charismatisch geleide kleine groep — een echo van de beroemde woensdagbijeenkomsten bij Freud.
Met de jaren groeit in oudere verenigingen het risico op autoritaire tendensen, dogmatisme en conformisme. Creatieve kandidaten kunnen zich niet verder ontwikkelen, het theoretisch pluralisme komt onder druk te staan. Psychoanalytici zijn goed in het herkennen van individuele dynamieken, maar hebben vaak weinig voeling met de specifieke processen binnen groepen en organisaties. Toch is het noodzakelijk dat een vereniging een gedeeld begrip ontwikkelt van haar primaire taak, namelijk haar wetenschappelijke missie. Maar wat betekent dat precies in de huidige tijd (Šuljagić)? Hoe dienen we de wetenschappelijke missie van de psychoanalyse te omschrijven?
Te vaak wordt bij interne conflicten gegrepen naar gezinsmetaforen. Alsof de vereniging een gezin is, bestuurders ouders, en leden kinderen. Maar een psychoanalytische vereniging is géén familie. Wellicht wordt de psychoanalytische bril te snel opgezet bij zaken die veeleer managementvaardigheden vereisen. Bovendien hebben psychoanalytici het niet zelden moeilijk met gezag, autoriteit en bestuurlijke structuren.
Genta bespreekt hoe de daling van het aantal kandidaten in Zwitserland een mogelijk gevolg is van destructieve tendensen in de vereniging, zoals rigiditeit, indoctrinatie en besluiteloosheid. De verwachting dat kandidaten al over alle eigenschappen van een goede analyticus beschikken, is onrealistisch. Een genuanceerdere inschatting van iemands potentieel is wenselijker. Beter kan men nagaan wat de postulant al bereikt heeft in zijn leven, en in welke mate er verdere groei verwacht kan worden.
Ook elders blijkt het moeilijk collega's te motiveren voor bestuursfuncties. Besturen vraagt meer dan analytisch inzicht: er is engagement nodig, organisatorische vaardigheid, en bereidheid tot beleidsvoering. Maar ook tijd en energie — en dat alles onbezoldigd. Sommige leden nemen een passieve houding aan, verwachten dat anderen het werk doen, alsof een bestuur moederlijk zorgend de vereniging moet dragen (Šuljagić).
Idealisering vormt een ander struikelblok. Wat is ‹het pure goud› van de psychoanalyse nog in een praktijk die zich verbreed heeft? De meeste analytici werken niet langer exclusief ‹op de bank›, maar zijn ook actief in psychotherapie, onderwijs of institutioneel werk. De coronapandemie bracht het debat over remote analysis in een stroomversnelling. Is het geen tijd om een vorm van psychoanalyse te ontwikkelen die ontvankelijk is voor de veranderde behoeften van een diverse samenleving — zonder te vervallen in nostalgisch verlangen naar een mythisch verleden?
Deze bundel biedt een rijke verzameling reflecties over het institutionele leven van de psychoanalyse, waarin turbulenties en crises niet zelden hun oorsprong vinden in herhaling van onverwerkte conflicten en traumatische gebeurtenissen. Herhaling, ontkenning, en vooral: stilzwijgen.
De psychoanalyse heeft de opdracht zich niet terug te trekken in een ivoren toren. Integendeel, zij moet zich positioneren als een praktijk die in de samenleving ruimte creëert — een plek waar het subject kan stilstaan bij zichzelf, in de aanwezigheid van een meedenkende ander.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 1382-516x
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.
Nieuwsbrief Boom Psychologie
Meld u nu aan en ontvang maandelijks de Boom Psychologie nieuwsbrief met aantrekkelijke aanbiedingen en de nieuwe uitgaven.
Aanmelden


