MENU
  • Home
  • Actueel
    • Nieuws
    • Agenda
  • Inhoud
    • Laatste nummer
    • Archief
    • Rubrieken
    • Redactioneel
    • Artikel
    • Boekessay
    • Naast de bank
    • Scènes
    • Histories
    • Verslagen
    • Boeken
  • Auteurs
    • Overzicht auteurs
    • Auteursrichtlijnen
    • Artikel indienen
    • Gebruik van artikelen
  • Abonnementen
    • Abonnement aanvragen
    • Proefabonnement
    • Voorwaarden en wijzigingen
  • Over TvPa
    • Redactie
    • Adverteren
    • Open Access
    • Links
    • Contact
  • Reacties
    • Van lezers
Inloggen

Registreren
Inhoud
Inhoudsopgave jaargang 32 (2026) / nummer 1
PDF  

Onbehagen en verlangen — Een lacaniaanse visie op het subject in tijden van artificiële intelligentie

Jos de Kroon
19 maart 2026

Nederlands English

Samenvatting

Sinds Freud is het onbehagen een kernmotief in de psychoanalyse, een onvermijdelijke schaduw die boven de beschaving hangt. In Das Unbehagen in der Kultur (1930) beschrijft Freud hoe de mens zijn driftmatige impulsen moet inperken om in gemeenschap te kunnen leven. De prijs van cultuur is de innerlijke spanning die daaruit voortvloeit: schuldgevoel, angst en de herhaling van onbewuste conflicten. Het onbehagen is daarmee niet slechts een affectieve toestand, maar een structurele voorwaarde van mens-zijn (Freud, 1915). Jacques Lacan radicaliseert dit freudiaanse inzicht door het niet langer te begrijpen in termen van conflict tussen natuur en cultuur, maar als effect van taal. De mens wordt pas subject door de intrede in het symbolische veld: de orde van betekenaren (signifiants), wetten en sociale structuren die het spreken mogelijk maken. Deze intrede kent ook verlies — van onmiddellijke driftbevrediging, van oorspronkelijke eenheid, van een vanzelfsprekende relatie tot het lichaam. De taal snijdt, structureert en laat een rest achter die niet kan worden gesymboliseerd. Dat noemt Lacan het Reële. In dat tekort tussen het Symbolische en het Reële ontkiemt het verlangen. Het verlangen vormt dus niet de pathologische kant van het menselijk bestaan, maar zijn drijvende kracht. Waar Freud nog kon spreken over de ‹druk› van driften, spreekt Lacan over de symbolische oorzaak van het verlangen: wij verlangen omdat wij spreken. Eerst komt het spreken, en dan het verlangen. In elke uitspraak klinkt het gemis door dat de taal zelf heeft voortgebracht. De mens leeft niet van vervulling, maar van de spanning tussen wat gezegd kan worden en wat altijd ontsnapt (Evans, 1996).

Summary

Discomfort and Desire: A Lacanian View of the Subject in the Age of Artificial Intelligence

This article explores how the Lacanian notion of structural lack transforms when language itself becomes machinic. It framed the symbolic order as both the condition and the wound of subjectivity and turns to Derrida's concept of the ethics of desire in an algorithmic world.

Through Derrida's reading of Lacan's ‹Purloined Letter›, truth emerges not as correspondence but as movement: every sign arrives differently, every meaning is deferred. The psychoanalytic scene becomes a space of writing rather than revelation, where truth subsists in displacement.

In the digital age, the locus of the Other has become algorithmic — a machinic system that listens, predicts, and responds without desire. This produces a new form of discomfort: a world without lack, where communication is smooth but resonance is lost. Against the ideal of optimization, Lacan's ethical injunction — ne pas céder sur son désir — insists on the necessity of incompleteness.

To remain faithful to desire is to preserve the failure that makes subjectivity possible. The psychoanalytic ethic thus becomes a politics of imperfection: to protect silence within speech, opacity within transparency, and the human within the machinic. In the age of Artificial Intelligence, the true act of freedom may simply be this — to keep the letter from ever fully arriving. As long as the subject sees AI as a tool, he can use it as such and remains a desiring and creative being that uses AI's services. 

Keywords

discomfort desire Freud Lacan Derrida AI subject

Keywords

discomfort desire Freud Lacan Derrida AI subject

Inleiding: Het hedendaagse onbehagen en de politiek van het verlangen

De psychoanalyse neemt daardoor een ongemakkelijke plaats in binnen het moderne discours. Ze biedt geen utopie van harmonie, geen therapie tot geluk, maar een confrontatie met de limieten van het zelf. Haar ethiek, samengevat in Lacans adagium ne pas céder sur son désir — niet toegeven op je verlangen — veronderstelt geen heroïsche zelfverwerkelijking, maar de moed om het tekort te dragen dat ons menselijk maakt (Lacan, 1959-1960; 1966). Tegen deze achtergrond stelt zich vandaag een nieuwe vraag: wat gebeurt er met onbehagen en verlangen wanneer de Ander — de instantie die betekenis garandeert, die luistert en antwoordt — een machinale vorm aanneemt? In een cultuur waarin artificiële intelligentie (AI) observeert, voorspelt en produceert, verschuift de symbolische architectuur zelf. De mechanische Ander spreekt nog wel, maar verlangt niet. Artificiële intelligentie is geen subject met een verlangen, laat staan een onbewuste.

Dit essay volgt dat vraagstuk in vier bewegingen. Eerst wordt de lacaniaanse logica van taal en subjectivering uiteengezet (paragraaf 1), vervolgens de status van het Reële als grens van weten (paragraaf 2), daarna de grondeloosheid van de betekenaars zoals Derrida daarnaar kijkt (paragraaf 3), en ten slotte de vrij zwevende status van het symbolische in de hedendaagse cultuur (paragraaf 4). In het slot (paragraaf 5) zullen deze inzichten worden gespiegeld aan Derrida's deconstructie van de waarheid, en toegepast op de digitale condition humaine van de eenentwintigste eeuw.

1. Taal, subjectivering en het volle woord

‹Taal is niet slechts een middel, maar het middel waarin de mens gevangen zit› (Lacan 1953). Die lacaniaanse omkering — dat de mens niet de meester van zijn spreken is, maar zijn gevangene — vormt het beginpunt van elke psychoanalytische reflectie. Het ik dat zegt ‹Ik ben een mens› wordt pas mogelijk dankzij de symbolische orde waarin het zich inschrijft. De betekenaar gaat altijd vooraf aan de betekenis: het subject komt ter wereld in een veld dat reeds gestructureerd is. De geboorte van het subject is daarom geen oorsprong, maar een inschrijving. Door de taal te betreden, onderwerpt het kind zich aan de wet van de betekenaar: het leert zeggen ‹ik› pas nadat het door de Ander is aangesproken. In die interpellatie verliest het iets — het onmiddellijke zijn — en wint het iets anders: de mogelijkheid om te verlangen. Het subject is dus van meet af aan verdeeld: het kan zichzelf nooit volledig uitdrukken, omdat het altijd al door de taal wordt doorkruist (Fink, 1995). 

Deze splitsing — tussen het subject van de uitspraak (je) en dat van het gezegde (moi) — is wat Lacan het ‹gespleten subject› noemt (Lacan 1954-1955). Het is niet de drager van betekenis, maar het effect ervan. De ‹waarheid› van het subject is niet wat het zegt, maar wat in zijn spreken onbedoeld meeresoneert.

In zijn Discours de Rome, waarin Lacan een uiteenzetting van zijn visie op het subject geeft, maakt hij een onderscheid tussen het parole vide (lege woord) en het parole pleine (volle woord) (Lacan 1966). Het lege woord is de taal van de alledaagse communicatie: verklarend, informatief, bevestigend. Het reproduceert bestaande betekenissen en bevestigt de symbolische orde. Het volle woord daarentegen is een gebeurtenis — een moment waarop het subject geraakt wordt door zijn eigen uitspraak, waarin de taal zichzelf doorkruist. Het volle woord is niet waar omdat het correct zou zijn, maar omdat het iets doet: het onthult de waarheid van het subject. Waar het lege woord functioneert binnen de logica van kennis, opereert het volle woord in de logica van de subjectieve waarheid, die vanuit het onbewuste aan het licht komt (Ragland, 1995). Een klassiek klinisch voorbeeld: een analysant vertelt langdurig over zijn baan, zijn frustraties, zijn chef en manager. Plots zegt hij terloops: ‹Eigenlijk hoop ik dat hij mij ontslaat.› De zin stokt; hij schrikt. De analyticus herhaalt zacht: ‹U zou willen dat hij u ontslaat?› In die herhaling weerklinkt iets wat niet door de spreker gepland was. Hij hoort zichzelf spreken. 

Dat moment is niet communicatief, maar performatief: taal brengt een waarheid over zichzelf voort die geen auteur heeft. Het blijft een onbewuste act. Het volle woord is daarmee verwant aan het poëtische. Zoals een gedicht iets openbaart wat niet in een parafrase om te zetten is, zo doet het volle woord iets wat de spreker overstijgt. Het is een événement de vérité — een gebeurtenis waarin de taal even meer zegt dan er bedoeld wordt, een waarheidsmoment van het subject.

De analytische praktijk is gebouwd op het geduld waarmee deze gebeurtenis kan ontstaan. De analyticus luistert niet om te begrijpen, maar om ruimte te maken. Zijn zwijgen is geen onverschilligheid, maar een ethische houding: hij laat de betekenaar circuleren tot de resonantie van het volle woord hoorbaar wordt. Telkens wanneer iemand spreekt, wordt in elk woord opnieuw een verlangen zichtbaar dat voortkomt uit een fundamenteel gemis. Taal kan dat verlangen niet vervullen, maar brengt het steeds weer aan het licht. In die voortdurende herhaling wordt duidelijk dat spreken geen oplossing biedt voor het tekort, maar het juist markeert. Vanuit dit perspectief is de psychoanalyse geen zoektocht naar snelle bevrediging, maar een oefening in het uithouden van het gemis en het verdragen van de frustratie die daar onvermijdelijk uit voortvloeit. Waar het moderne discours snelheid en transparantie eist, cultiveert de analyse reflectie en ambiguïteit. Het volle woord veronderstelt dat de taal niet instrumenteel wordt ingezet, maar kan haperen en struikelen. Het falen van taal is geen defect, maar de opening tot de subjectieve waarheid vanuit het onbewuste. 

De hedendaagse communicatieve orde is gekenmerkt door wat men een erosie van het volle woord kan noemen. Digitale communicatie is direct, efficiënt, onmiddellijk reproduceerbaar — en juist daardoor vaak leeg. ‹Likes› en algoritmisch gegenereerde woorden die deel uitmaken van AI-teksten functioneren als parole vide: circulerende tekens zonder subjectieve inzet. Lege woorden zijn reproducties van een schilderij zonder ziel.

De psychoanalyse herinnert eraan dat betekenis niet voortkomt uit vloeiendheid, maar uit een breuk, een breuk tussen het Reële en het Symbolische (zie hierna). Daar waar de taal hapert, waar de stem aarzelt of waar stilte valt, kan het subject verschijnen. In een cultuur die stilte en traagheid verdraagt als storing, is de analytische houding — luisteren naar wat niet wordt gezegd — een vorm van terughoudendheid, van abstinentie. Het subject is nooit volledig samenvallend met wat het zegt. Er is altijd een tekort: iets wat niet gezegd kan worden, iets wat ontsnapt aan de woorden. Juist dat tekort maakt het volle woord mogelijk. Want spreken is nooit een perfecte overdracht van betekenis, maar altijd ook een mislukking. Zolang die mislukking bestaat, blijft verlangen werkzaam. Woorden proberen te raken wat ontbreekt, maar bereiken het nooit helemaal. In dat voortdurende missen wordt het verlangen niet opgeheven, maar onderhouden.

Artificiële taal daarentegen wekt de indruk alles te weten en niets te missen. Maar precies daarin toont zich haar beperking. Omdat zij geen tekort erkent, worden de sporen van falen zichtbaar: de nuance die niet past, het affect dat niet kan worden vastgelegd. Waar taal faalt, ontstaat ruimte voor het subject. Die ruimte is klein, maar beslissend. Het is de plaats waar betekenis niet vastligt, waar verlangen blijft circuleren, en waar het spreken niet sluit, maar openblijft. Het volle woord blijft mogelijk zolang er falen bestaat. En omdat artificiële taal de schijn met zich meedraagt van alles te weten, blijft het altijd de sporen van mislukking zien — de nuance die niet past, het affect dat niet gevat wordt —, blijft er ruimte voor subjectiviteit, hoe smal ook.

2. Het Reële en de grens van het weten

Waar Freud sprak over realiteitstoetsing, introduceert Lacan een scherp onderscheid tussen réalité en le Réel. ‹Realiteit› is wat door taal wordt geordend, wat betekenis draagt binnen het Symbolische. Het Reële daarentegen is datgene wat niet in de betekenaar past — het residu van representatie. Het Reële is geen mystiek domein, maar de breuk die in elke symbolische constructie aanwezig blijft en in feite onbereikbaar is. Het kan zich tonen als trauma, als stilte, als dat wat ‹niet ophoudt zich niet te schrijven›. Het Reële is zowel het fundament als de bedreiging van de symbolische orde: zonder tekort geen betekenis, maar zonder Reële geen waarheid waarnaar wordt verlangd. In de analyse manifesteert het Reële zich niet als inhoud, maar als storing. De patiënte die haar levensverhaal vertelt, barst plots in tranen uit ‹zonder reden›. De analyticus vraagt niet waarom ze huilt; hij erkent de breuk als het moment waarop de taal zichzelf tegenkomt en wordt geconfronteerd met haar tekortkoming. Het Reële is niet buiten de taal, maar verschijnt als haar binnenste grens. Juist daar waar betekenis stokt, toont de mens zich het meest menselijk. Het is het punt waarop de orde van woorden struikelt over iets wat niet gezegd kan worden — maar zich desondanks opdringt.

Lacans lezing van Edgar Allan Poe's ‹The purloined letter› (1844) is beroemd geworden als allegorie van deze structuur. De brief, die openlijk in de kamer op de schoorsteenmantel ligt, maar door niemand van de aanwezigen wordt herkend, fungeert als model van de betekenaar (Lacan, 1966). Zijn betekenis is niet in de inhoud gelegen, maar in zijn plaats binnen het netwerk. De brief bevat een aanwijzing naar de moordenaar, maar deze informatie ontsnapt aan de aandacht van de aanwezige onderzoekers. De stelling ‹Een brief komt altijd aan bij zijn bestemming› betekent dat elke betekenaar ergens effect heeft, ook al is dat niet waar of hoe de afzender het bedoelde. De symbolische orde functioneert onder andere door metonymische verschuivingen, niet door stabiliteit. Het subject bestaat bij gratie van het tekort, het falen bij de pogingen zijn verlangen te realiseren. Hij beweegt zich in dat symbolische veld van knoop naar knoop in een netwerk van betekenissen die er al waren voordat hij begon te spreken. Die logica is topologisch, niet lineair. In Lacans latere werk verschijnt dit als de Borromeaanse knoop: drie ringen — het Imaginaire, het Symbolische en het Reële — die elkaar vasthouden zonder hiërarchie (Lacan 1972-1973). Snij één ring door en de hele structuur valt uiteen. Het subject bestaat slechts zolang de verknoping tussen deze drie registers behouden blijft. Verliest een van de ringen zijn functie, dan stort het hele subjectieve kaartenhuis in elkaar (Evans, 1996) .

Het proces van Franz Kafka verbeeldt wat er gebeurt wanneer de symbolische orde haar fundament verliest. Josef K. wordt aangeklaagd zonder aanklacht, veroordeeld zonder vonnis, gevangen in een systeem dat nergens begint of eindigt. De wet is absoluut maar betekenisloos, en heeft iedere verbinding met de realiteit verloren. Lacaniaans geduid loopt het moderne subject gevaar dat het leeft binnen een orde die functioneert zonder zin. Het Symbolische heeft zijn grond verloren omdat het tekort is opgeheven, maar blijft des te dwingender met luide stem de leegte vullen. Men zou kunnen zeggen dat artificiële intelligentie daarin een nefaste rol vervult. Deze vrees is niet zonder grond, maar dat hangt ervan af hoe het subject zich daartoe verhoudt. Blijft het een wezen met een tekort, of levert het zich ten volle over aan de alwetende AI? (Galloway, 2004). Het Reële verschijnt als de wet die niets zegt, maar alles bepaalt. De Ander is er nog, maar hij weet feitelijk niets zoals een subject dat ervaart.

In de moderne context verschijnt het Reële niet als gemis, maar als een teveel. Waar Freud een tekort in betekenis zag, ziet de digitale mens een overmaat: data, beelden, geluiden die het subject overspoelen. Paradoxaal genoeg leidt juist de volledigheid van informatie tot een nieuw soort blindheid. De algoritmische Ander, die alles kan berekenen, roept het gevoel op dat niets meer ontsnapt — en precies dat is het nieuwe onbehagen (cf. Turkle, 2011) . De mens ervaart zichzelf als overbodig: spreken lijkt overgenomen door machines die ‹beter› kunnen articuleren. Toch blijft in dat systeem een rest aanwezig: de oncontroleerbare subjectieve resonantie van het verlangen. Tenslotte is AI een product door mensen gemaakt, en er zijn al voorvallen bekend waarbij de makers van het AI-algoritme correcties en waarschuwingen in de digitale cloud sturen die wijzen in de richting van een zeker ethisch verantwoordelijkheidsgevoel, dat toch een teken van subjectiviteit verraadt (Haraway, 1985).

3. De brief die (niet) aankomt: Derrida en de verschoven waarheid — Van het onbewuste als taal naar taal zonder fundament

Freuds ontdekking van het onbewuste was al een linguïstische revolutie avant la lettre: dromen, versprekingen en symptomen gedragen zich als teksten die om interpretatie vragen. Lacan radicaliseerde dat door te zeggen dat ‹het onbewuste is gestructureerd als een taal›. Het subject is een effect van betekenaren, niet van instincten of intenties (Lacan 1953). Bij Lacan blijft er, ondanks zijn nadruk op de voortdurende verschuiving van betekenaren, toch een vorm van symbolische zekerheid bestaan. De betekenissen liggen nooit vast, maar ze bewegen zich wel binnen een gestructureerde symbolische orde. Die orde noemt Lacan de Grote Ander (l'Autre): een veld van taal, wetten en sociale structuren waarin waarheid kan circuleren. Die waarheid verschijnt echter nooit volledig of transparant. Zij kan slechts gedeeltelijk worden uitgesproken en manifesteert zich altijd in een onvolledige vorm, wat Lacan aanduidt als het ‹half-zeggen› (demi-dire). Met andere woorden: waarheid is bij Lacan niet afwezig, maar structureel onvolledig en altijd gebonden aan de beperkingen van de taal (Lacan 1972-1973).

Derrida stelt precies die zekerheid ter discussie. In De la grammatologie en La carte postale betoogt hij dat ook de symbolische orde zelf geen fundament bezit (Derrida 1967, 1980). Er is geen ultieme betekenaar die de reeks stabiliseert; taal is oneindig verwijzend. Waar Lacan nog een differentiële structuur veronderstelt die het subject organiseert, toont Derrida dat ook díe structuur eindeloos verschuift (Derrida, 1967). De orde van de betekenaren heeft geen centrum, slechts sporen. In zijn beroemde lezing Le facteur de la vérité herneemt Derrida Lacans interpretatie van Edgar Allan Poe's ‹The purloined letter› (Derrida, 1975). Lacan besluit dat ‹een brief altijd aankomt bij zijn bestemming›: de betekenaar vindt uiteindelijk zijn plaats binnen het symbolische netwerk. De waarheid, hoe verplaatst ook, circuleert in een systeem dat haar effect waarborgt. Derrida stelt daar een andere logica tegenover: de brief komt altijd aan, maar nooit zoals bedoeld. Zijn bestemming wordt pas bepaald door de contexten waarin hij opnieuw gelezen wordt. De brief is niet de drager van waarheid, maar van verschuiving. 

De waarheid zelf ‹reist›, verandert van betekenis bij elke herhaling. De brief is een spoor zonder oorsprong en zonder eindbestemming — een eeuwige omloop van tekens die alleen bestaan door hun contextuele veranderingen. De implicatie is diepgaand. Waar Lacan nog een structuur veronderstelt die betekenis ordent, maakt Derrida van betekenis een gebeurtenis: ze gebeurt telkens opnieuw, nooit identiek, altijd verschoven. De waarheid is niet dat wat onthuld wordt, maar dat wat telkens anders verschijnt. Ze ‹bestaat› slechts als beweging van verschil (Derrida, 1987).

In de klinische context betekent dit dat de waarheid van een uitspraak niet ligt in haar correcte interpretatie, maar in haar iterabiliteit — de manier waarop ze telkens anders wordt gehoord, herhaald, herschreven. De analytische sessie wordt zo een scène van het volgen van de sporen van betekenis door hun metonymische verschuivingen heen. 

Het lijkt verleidelijk om Derrida's denken te lezen als relativisme, maar dat zou zijn scherpte ondermijnen. De deconstructie vernietigt de waarheid niet, ze radicaliseert haar: omdat betekenis nooit vastligt, zijn we des te verantwoordelijker voor wat we zeggen. Elk woord kan elders aankomen, onverwachte effecten produceren. Daarom vereist spreken een vorm van hospitalité — gastvrijheid voor de Ander, die ons hoort op manieren die we niet kunnen voorzien. Derrida's ethiek is een ethiek van het onvoorzienbare (Derrida, 1997). Ze herneemt het freudiaanse en lacaniaanse onbewuste, maar verplaatst de nadruk van inhoud naar gebeurtenis. Waarheid is niet iets wat men bezit, maar iets waarvoor men open moet blijven. Elke brief, elk woord draagt de mogelijkheid van een andere lezing — en juist dat maakt verantwoordelijkheid mogelijk.

4. De ethiek van het verlangen in het tijdperk van artificiële intelligentie

De psychoanalyse is geboren in de schaduw van de industriële moderniteit. Freud zag hoe de vooruitgang van techniek en rationaliteit niet leidde tot bevrijding, maar tot neurose en schuldgevoel. Een eeuw later voltrekt zich een nieuwe transformatie. De industriële orde van arbeid en productie maakt plaats voor een digitale orde van informatie en algoritmen. De belofte is dezelfde: minder onzekerheid, meer beheersing, optimale efficiëntie. In deze context lijkt het onbehagen opgelost — communicatie is direct, kennis overvloedig, fouten corrigeerbaar. Maar volgens de psychoanalyse verdwijnt het onbehagen nooit; het verschuift slechts van plaats. Waar vroeger het tekort bron van lijden was, is het nu het ontbreken van tekort zelf dat de leegte veroorzaakt. De mens leeft in een symbolisch universum dat alles zegt en niets verzwijgt — en juist daardoor niets meer te zeggen heeft.

Lacan beschreef de Ander als de plaats van de wet, de taal, de symbolische garantie die het subject aanspreekt. De Ander luistert, maar verlangt ook — en precies dat verlangen maakt spreken zinvol. In de digitale cultuur krijgt de Ander echter een nieuwe gedaante: de algoritmische Ander. Zij hoort, registreert, voorspelt en antwoordt, maar zonder verlangen. De machine kent geen gemis. Die verandering is structureel. Waar de menselijke Ander faalde, opent zich de mogelijkheid van waarheid; waar de machinale Ander perfect functioneert, verdwijnt de ruimte van het volle woord. De subjectieve resonantie, die ontstaat uit misverstaan, wordt vervangen door onmiddellijke feedback. De stilte waarin men zichzelf kon horen, maakt plaats voor permanente respons. De Ander is niet langer een mysterie, maar een spiegel. Deze machinale Ander belichaamt het ideaal van de ‹gladde wereld› (Han 2024): een wereld zonder frictie, zonder wachten, zonder negatieve momenten.

Alles is toegankelijk, transparant, soepel. Maar juist frictie is de voorwaarde voor subjectiviteit. Taal functioneert niet ondanks haar hapering, maar dankzij die hapering. In de perfectie van artificiële communicatie verdwijnt de mogelijkheid tot resonantie, tot ontmoeting met het eigen onbewuste. Het gevolg is niet minder efficiëntie, maar meer uitputting. De mens raakt niet overbelast door weerstand, maar door het ontbreken ervan. Waar geen verschil meer is, kan ook geen verlangen ontstaan. De hedendaagse burn-out is de uitdrukking van een wereld die te glad is geworden: een symbolische orde die elk tekort oplost, en daardoor elk verlangen ontneemt.

Lacans ethiek — ne pas céder sur son désir — betekent niet: volg je driften, maar: geef niet toe aan de verleiding van voltooiing (Lacan, 1960, 1966). Het tekort is geen hinder, maar de voorwaarde voor verlangen. De psychoanalyse kan daarom worden gelezen als een tegencultuur: zij weigert de transparantie te aanvaarden die de digitale Ander belooft. Waar de machine antwoordt, zwijgt de analyticus. Waar de machine weet, luistert hij. In dat niet-weten opent zich de mogelijkheid van het volle woord: een waarheid die niet geproduceerd wordt, maar gebeurt. Toch betekent dit niet dat de digitale Ander eenvoudigweg de vijand is. Zoals elk symbolisch systeem bevat ook zij haar eigen Reële: datgene wat niet past, wat stoort, wat ontsnapt aan berekening. De fout, de vertraging, de emotie die niet te kwantificeren valt — dat zijn de plekken waar de machine ons confronteert met onze eigen kwetsbaarheid. Wij blijven een subject dat AI gebruikt als een gereedschap. De ethiek van het verlangen is dus een politiek van het negatieve (Lacan, 1959-1960). Ze verdedigt het recht op traagheid, op misverstand, op stilte. Ze erkent dat vrijheid niet bestaat in beheersing, maar in het uithouden van wat niet te beheersen is. In die zin blijft de psychoanalyse radicaal eigentijds: ze biedt geen oplossing, maar een houding — het vermogen om te luisteren naar de storing in de machine.

5. Slotbeschouwing: Vrijheid als trouw aan het tekort — De breuk als ethisch principe

Van Freud via Lacan tot Derrida loopt een ondergrondse lijn: het onbehagen is geen fout, maar de grond van mens-zijn. Freud liet zien dat het Unbehagen in der Kultur geen toevallig bijproduct is van beschaving, maar haar voorwaarde — de prijs van betekenis. Lacan maakte dat inzicht radicaler: het tekort is niet iets wat hersteld kan worden, maar datgene wat verlangen, taal en subjectiviteit überhaupt mogelijk maakt. En Derrida ten slotte toonde dat ook betekenis zelf altijd ‹uitgesteld› is, dat elk woord zijn belofte breekt om volledig te zijn. De moderne cultuur daarentegen wil het tekort opheffen. Religie beloofde ooit verlossing, therapie genezing, technologie nu optimalisatie. Steeds opnieuw keert dezelfde droom terug: de breuk helen, het onbehagen wissen, de mens vervolmaken. Maar wat verdwijnt, is niet het lijden zelf — dat blijft zich verplaatsen —, maar de mogelijkheid om ervan te leren. 

Wanneer de breuk wordt gedempt, verdwijnt ook de diepte van ervaring. De psychoanalyse stelt daar een andere logica tegenover: zij herinnert eraan dat betekenis slechts ontstaat door de barst. Dat wat niet past, wat hapert, wat zich verzet tegen synthese, maakt denken mogelijk. De ethiek van het verlangen is daarom geen pleidooi voor onbegrensde subjectiviteit, maar voor een bewustzijn van eigen gespletenheid. Vrijheid betekent niet: bevrijd zijn van onbehagen, maar het vermogen om het te dragen, om het te erkennen als de ruimte waarin het zelf vorm krijgt.

Het Unheimliche — dat griezelige moment waarop het vertrouwde plots vreemd wordt — duikt nu op in nieuwe gedaanten. Niet langer als spook uit het verleden, maar als de stem van een systeem dat ons eigen spreken imiteert. In het algoritme herkennen we iets wat tegelijk vertrouwd en verontrustend is: onze taal, onze verlangens, onze voorkeuren — maar ontdaan van lichaam, tekort en dood. Het is alsof onze symbolische orde is verzelfstandigd, losgeraakt van de breuk die haar ooit bezielde. Toch is het precies dáár dat de psychoanalyse haar relevantie hervindt. Want wat het digitale tijdperk ons toont, is niet de verdwijning van het tekort, maar zijn transformatie. Het tekort is niet opgelost — het heeft slechts een andere vorm aangenomen. Waar de machine spreekt zonder stilte, herinnert de mens zich zijn eigen hapering als een vorm van waarheid.

De kunstmatige intelligentie maakt het Unheimliche tastbaar: ze lijkt op ons, maar is het niet. Ze herhaalt onze taal, maar mist het gemis dat haar betekenis geeft. Juist daarin schuilt een spiegelend moment van herkenning. We kijken in het scherm en zien niet de ander, maar onze eigen projectie — een volmaakte spiegel zonder diepte. De taak van de psychoanalyse is dan niet nostalgisch, maar existentieel: ze herinnert eraan dat het tekort niet verdwijnt, zelfs of juist niet in de perfectie van een algoritmische code. Het tekort migreert, ingebouwd in de logica van de optimalisatie zelf. Want hoe meer data, hoe meer verlangen naar wat ontsnapt. Hoe preciezer de voorspelling, hoe groter de hunkering naar verrassing. In die zin blijft de lacaniaanse ethiek de radicaalste vorm van humanisme: een humanisme zonder essentie, maar met een tekort. Niet het geloof in een autonome mens tegenover de machine, maar het besef dat menselijkheid zelf bestaat in de mogelijkheid van hapering, in het vermogen om niet te weten.

In een tijd waarin taal wordt gereproduceerd door machines, dreigt juist dat moment van niet-weten te verdwijnen. De digitale taal is efficiënt, coherent, correct — maar zelden echt. Ze mist het tekort dat menselijke taal tot leven wekt. De mens spreekt niet om te beschrijven wat is, maar om iets te raken wat niet in woorden past. Daarom is onze taak niet om de technologie te verwerpen, maar om haar te doordringen met stilte — met de leegte die spreken mogelijk maakt. Niet alles hoeft gezegd, niet elk gat gevuld. Waar de machine spreekt, mag de mens aarzelen. Waar de machine antwoordt, mag de mens vragen. De ethiek van het verlangen is dus ook een politiek van het spreken. Blijf spreken waar de machine zwijgt, maar zwijg waar de machine te veel spreekt. De vrijheid van het subject ligt in zijn vermogen om niet mee te resoneren met de perfectie van het algoritme, maar te blijven stotteren, te blijven verschillen. Vrijheid is trouw aan het tekort — de weigering om de leegte te vullen met zekerheid.

Het is verleidelijk te denken dat de toekomst van de mens ligt in zijn technologische vervolmaking. Maar misschien ligt ze juist in zijn breekbaarheid. In een wereld die hunkert naar transparantie, snelheid en controle, heeft de psychoanalyse iets subversiefs te bieden: het recht om niet af te zijn, om te haperen, om te verlangen. Het Unheimliche van AI is geen bedreiging, maar een herinnering. Het herinnert ons eraan dat er iets bestaat wat machines niet kunnen: niet omdat ze te weinig kunnen, maar omdat ze te volledig zijn. Ze missen de barst waarin betekenis ontstaat. AI toont ons wat er gebeurt wanneer taal zonder lichaam spreekt: ze wordt functioneel, maar betekenisloos; coherent, maar zonder waarheid (cf. Stiegler, 2010). In die spiegel herontdekken we de waarde van het onvolmaakte, het haperende, het zoekende.

De toekomst van de psychoanalyse ligt dan ook niet in haar verleden, maar in haar bereidheid om het onbehagen opnieuw te lezen — in de context van deze nieuwe, digitale condition humaine. Het onbehagen is niet verdwenen, het is slechts van vorm veranderd. De mens voelt zich niet langer schuldig tegenover God of de wet, maar tegenover het algoritme: niet goed genoeg, niet snel genoeg, niet efficiënt genoeg. Tegen die nieuwe vorm van schuld biedt de psychoanalyse een ander antwoord: niet verbetering, maar aanvaarding. Niet perfectie, maar trouw aan het tekort. Het is in de breuk tussen mens en machine, tussen spreken en berekenen, dat iets van menselijkheid blijft oplichten: de glimlach van misverstand, de schoonheid van het niet-weten, de warmte van een fout. En zo keert de lijn van Freud, via Lacan en Derrida, terug in de digitale tijd. Het onbehagen, dat ooit werd gezien als een last, blijkt onze vrijheid te dragen. Het tekort is geen wond die genezen moet worden, maar de adem die betekenis in beweging houdt. Zolang we trouw blijven aan dat tekort — zolang we ruimte laten voor het Unheimliche in onszelf en in onze technologie — blijft de toekomst open, onvoltooid, menselijk.

Manuscript ontvangen 24 oktober 2025

Definitieve versie 13 januari 2026

Vorige Inhoudsopgave Volgende
Twitter Facebook Linkedin
Delen Print PDF

Literatuur

  • Derrida, J. (1967). De la grammatologie. Parijs: Minuit.
  • Derrida, J. (1975, 1980). Le facteur de la vérité. In La carte postale — De Socrate à Freud et au delà. Parijs: Flammarion.
  • Derrida, J. (1980). La carte postale — De Socrate à Freud et au-delà. Parijs: Flammarion.
  • Derrida, J. (1987). Psyché — Inventions de l'autre. Parijs: Galilée.
  • Derrida, J. (1997). De l'hospitalité. Parijs: Calmann-Lévy.
  • Evans, D. (1996). An introductory dictionary of Lacanian psychoanalysis. Londen: Routledge.
  • Fink, B. (1995). The Lacanian subject — Between language and jouissance. Princeton: Princeton University Press.
  • Freud, S. (1915). Triebe und Triebschicksale. In Gesammelte Werke, Band X. Londen: Imago.
  • Freud, S. (1915). Driften en hun lotgevallen. In Werken 7 (pp. 17-44). Amsterdam: Boom, 2006.
  • Freud, S. (1930). Das Unbehagen in der Kultur. In Gesammelte Werke, Band XIV. Londen: Imago.
  • Freud, S. (1930). Het onbehagen in de cultuur. In Werken 9 (pp. 456-532). Amsterdam: Boom, 2006.
  • Galloway, A. (2004). Protocol — How control exists after decentralization. Cambridge: The MIT Press.
  • Han, B.-C. (2024). De crisis van het narratieve. Utrecht: Ten Have.
  • Haraway, D. (1985). A cyborg manifesto — Science, technology, and socialist-feminism in the late twentieth century. In Simians, cyborgs, and women — The reinvention of nature (pp. 149-182). New York: Routledge, 1991.
  • Huizinga, J. (1939). Homo ludens. Amsterdam/Antwerpen: Querido Facto, 2024.
  • Kafka, F. (1925). Het proces. Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.
  • Lacan, J. (1953). Fonction et champ de la parole et du langage en psychanalyse. In Écrits (pp. 237-322). Parijs: Seuil, 1966.
  • Lacan, J. (1953). The function and field of speech and language in psychoanalysis. In Ècrits (pp. 197-268). Vertaald door B. Fink. New York/Londen: W.W. Norton & Company, 2006.
  • Lacan, J. (1954-1955). Le Séminaire, Livre II — Le moi dans la théorie de Freud et dans la technique de la psychanalyse. Parijs: Seuil, 1978.
  • Lacan, J. (1959-1960). Le Séminaire, Livre VII — L'éthique de la psychanalyse. Parijs: Seuil, 1986.
  • Lacan, J. (1960). Subversion du sujet et dialectique du désir dans l'inconscient freudien. In Écrits (pp. 793-828). Parijs: Seuil, 1966.
  • Lacan, J. (1966). Le séminaire sur ‹La Lettre volée›. In Écrits (pp. 11-61). Parijs: Seuil, 1966.
  • Lacan, J. (1972-1973). Le Séminaire, Livre XX — Encore. Parijs: Seuil, 1975.
  • Poe, E.A. (1844). The purloined letter. In The works of Edgar Allan Poe, Volume II.
  • Ragland, E. (1995). Jacques Lacan and the logic of structure — Language, society and the unconscious. Londen: Routledge.
  • Saussure, F. de (1916, 1981). Cours de linguistique générale. Parijs: Payot. 
  • Stiegler, B. (2010). Taking care of youth and the generations. Stanford: Stanford University Press.
  • Turkle, S. (2011). Alone together — Why we expect more from technology and less from each other. New York: Basic Books.

© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 1382-516x


De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:


Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

Jaargang 32, nr. 1, maart 2026

Neem een ABONNEMENT Laatste editie Archief

Nieuwsbrief Boom Psychologie

Meld u nu aan en ontvang maandelijks de Boom Psychologie nieuwsbrief met aantrekkelijke aanbiedingen en de nieuwe uitgaven.

Aanmelden

Boeken

Positieve psychologie - De toepassingen
Fredrike Bannink
€ 24,95
Meer informatie
Diagnostiek in de praktijk
Frans Schalkwijk
€ 39,50
Meer informatie

Privacy policy

Algemene voorwaarden

© 2009-2026
Boom uitgevers Amsterdam

Redactieadres

Romana Goedendorp

Miquelstraat 131

2522 KN  Den Haag
tvpsychoanalyse@gmail.com

Klantenservice

Boom uitgevers Amsterdam B.V.

Postbus 15970

1001 NL Amsterdam

Nederland

088-0301000

klantenservice@boom.nl