Een caleidoscoop van indrukken over lacaniaanse praktijkvoeringen
Samenvatting
Wie zich baseert op de titel van dit boek, verwacht wellicht een systematische uiteenzetting van het denken van Jacques Lacan, aangevuld met klinische casuïstiek. Die verwachting wordt echter niet ingelost. In plaats daarvan presenteert auteur Chris Vanderwees een reeks interviews met psychoanalytici en een filmmaker, aangevuld met twee interviews in de appendices, waaronder één met Sylvia Bataille. Het resultaat is een veelzijdig, soms fragmentarisch, maar levendig portret van de hedendaagse lacaniaanse praktijk.
Bespreking van
Chris Vanderwees (2026). On the theory and clinic of Lacanian psychoanalysis — Speaking of Lacan. Abingdon/New York: Routledge. ISBN 9781032347080, 202 pp., € 46,99
Het openingsinterview met Christopher Meyer richt zich op de behandeling van verslaving en de rol van dromen. Meyer benadrukt vooral de linguïstische dimensie van droommateriaal en psychotische uitingen. Daarbij beroept hij zich op denkers als Jacques Derrida en Jean-François Lyotard, waarmee hij de nadruk legt op taal, betekenisverschuiving en interpretatie. Dromen worden zo geen symbolische puzzels die opgelost moeten worden, maar narratieve velden waarin het onbewuste zich op meervoudige manieren uitdrukt.
In het daaropvolgende gesprek met Bruce Fink verschuift de aandacht naar Lacans seminarie VI, Desire and its interpretation. Fink, bekend om zijn Engelse vertalingen van Lacans werk, biedt een meer theoretisch georiënteerde reflectie op verlangen en interpretatie. Toch blijft ook hier de interviewvorm bepalend: het boek kiest consequent voor dialoog boven systematiek.
Een van de intrigerendste bijdragen komt van Annie Rogers, die spreekt over haar concept van ‹Incandescent Alphabets›. Dit valt het best te vertalen met ‹vurig, op de voorgrond tredend, met veel nadruk van woorden die voor de spreker heel veel betekenis hebben en voor de luisteraar meestal mysterieus overkomen›. Dit idee grijpt terug op Lacans notie van de Namen-van-de-Vader, maar verschuift die van een enkelvoudige wet naar een meervoud van ordenende principes. Rogers benadrukt dat taaluitingen van analysanten — vooral bij psychose of autisme — vaak een raadselachtig karakter hebben, maar tegelijk een dringende boodschap bevatten: het verlangen om erkend en opgenomen te worden in het sociale veld.
Haar reflecties worden verdiept door haar fascinatie voor het werk van John Devlin. Deze kunstenaar, die een teruggetrokken leven leidde, creëerde complexe tekeningen van imaginaire steden onder de naam Nova Cantabrigiensis, geïnspireerd door King’s College in Cambridge. Zijn beelden tonen een overvloed aan architectuur, maar opvallend weinig mensen. Rogers interpreteert dit als een visuele articulatie van een verlangen naar de Ander — een poging tot communicatie waar woorden tekortschieten. Dankzij initiatieven zoals GIFRIC (Groupe Interdisciplinaire Freudien de Recherche et d’Intervention Clinique et Culturelles) kreeg Devlins werk een plaats binnen de outsider art. Dit voorbeeld onderstreept Rogers’ stelling dat ook buiten de conventionele taalstructuren betekenisvolle communicatie plaatsvindt.
De vraag of psychoanalyse mogelijk is bij psychose — gezien de problematische overdracht — wordt hiermee impliciet heropend. Rogers suggereert dat juist in deze ogenschijnlijke breukvlakken nieuwe vormen van analytische betrokkenheid zichtbaar kunnen worden.
Een ander belangrijk interview is met Patricia Gherovici, afkomstig uit Argentinië. Zij schetst de sterke verankering van psychoanalyse in haar geboorteland, waar zelfs preventieve sessies voorafgaand aan operaties gebruikelijk zijn. In contrast daarmee beschrijft zij haar ervaringen in de Verenigde Staten, waar psychoanalyse lange tijd als achterhaald werd beschouwd en waar grote sociaal-economische ongelijkheden het klinische veld beïnvloeden. Gherovici verzet zich fel tegen de opvatting dat gemarginaliseerde groepen geen toegang zouden hebben tot een onbewuste. Tegelijk bekritiseert zij de vergaande commercialisering van de geestelijke gezondheidszorg.
Inhoudelijk benadrukt zij een typisch lacaniaans uitgangspunt: de analysant is zowel auteur als interpretator van zijn droommateriaal. Dit staat haaks op meer hiërarchische modellen waarin de analyticus de interpretatieve autoriteit bezit. In de lacaniaanse praktijk volgt de analyticus het spreken van de analysant en grijpt hij soms in door de sessie abrupt te beëindigen wanneer zich een betekenisvol moment aandient.
Ook Mavis Himes levert een boeiende bijdrage. Zij werkt voornamelijk met kankerpatiënten en beschrijft hoe zij haar werkwijze moet aanpassen aan medische omstandigheden, zoals gesprekken op ic’s of tijdens wandelingen. Hoewel de klassieke setting wordt losgelaten, blijft de focus op het onbewuste behouden. Haar ervaringen tonen hoe flexibel de lacaniaanse methode kan zijn zonder haar kern te verliezen.
De laatste interviews, met Hilda Fernández-Alvarez en Ricky Varghese, dragen nog de sporen van de coronapandemie. Het gesprek met Fernández-Alvarez vond plaats via Zoom, wat volgens de auteur de kwaliteit beïnvloedde. Vargheses werk, waaronder Little deaths — Sex and psychoanalysis in the age of pandemics, reflecteert expliciet op de impact van deze periode op intimiteit en analyse.
Het boek sluit af met een bespreking van de film Adieu, Lacan, geproduceerd door Richard C. Ledes en met David Patrick Kelly als Lacan. De film, gebaseerd op een toneelstuk en de roman Lacan’s parrot van Betty Milan, vertelt het verhaal van een jonge vrouw die worstelt met haar identiteit en moederschap. In haar analyse bij Lacan ontdekt zij nieuwe betekenissen in haar impasse. Deze afsluiting verbindt de psychoanalytische theorie met een culturele representatie, wat het boek een extra dimensie geeft.
De appendices met interviews, waaronder dat met Sylvia Bataille en met Vanderwees zelf, bieden een meer persoonlijke inkijk en ronden het geheel af.
Al met al is dit boek geen systematische introductie tot Lacans theorie, maar eerder een mozaïek van stemmen en perspectieven. Juist die fragmentarische opzet maakt het tot een toegankelijke en levendige kennismaking met de diversiteit van de lacaniaanse praktijk. Complexe begrippen worden niet zozeer uitgelegd als wel getoond in hun werking binnen concrete klinische en culturele contexten. Daarmee biedt het boek een waardevolle bijdrage aan het begrip van een traditie die zich blijft ontwikkelen en vernieuwen.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 1382-516x
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.
Nieuwsbrief Boom Psychologie
Meld u nu aan en ontvang maandelijks de Boom Psychologie nieuwsbrief met aantrekkelijke aanbiedingen en de nieuwe uitgaven.
Aanmelden


