MENU
  • Home
  • Actueel
    • Nieuws
    • Agenda
  • Inhoud
    • Laatste nummer
    • Archief
    • Rubrieken
    • Redactioneel
    • Artikel
    • Boekessay
    • Naast de bank
    • Scènes
    • Histories
    • Verslagen
    • Boeken
  • Auteurs
    • Overzicht auteurs
    • Auteursrichtlijnen
    • Artikel indienen
    • Gebruik van artikelen
  • Abonnementen
    • Abonnement aanvragen
    • Proefabonnement
    • Voorwaarden en wijzigingen
  • Over TvPa
    • Redactie
    • Adverteren
    • Open Access
    • Links
    • Contact
  • Reacties
    • Van lezers
Inloggen

Registreren
Inhoud
Inhoudsopgave jaargang 32 (2026) / nummer 2
PDF  

Voorbij Oidipous: Kwier

Jos de Kroon
11 juni 2026

Samenvatting

Voor de meeste mensen staat de seksualiteit in dienst van het voortbestaan van de menselijke soort, maar wie dit queerboek leest, begint daar ernstig aan te twijfelen. De auteurs, die zich bezighouden met denken over seksualiteit, hebben in dit boek een uitgesproken en genuanceerde uiteenzetting over het queer discours gegeven. De schrijvers zijn, op twee na, allen Nederlandstalige Belgen. De twee teksten van Franstalige auteurs zijn vertaald in het Nederlands.

Bespreking van

Jens De Vleminck & Michel Thys (red.) (2024). Queer — Een psychoanalytische queeste. Antwerpen-'s-Hertogenbosch: Gompel&Svacina. ISBN 9789463715065, 267 pp., € 37,50

Na de inleiding van de redacteuren Jens De Vleminck en Michel Thys opent het boek met een tekst van de in 2022 overleden filosoof Philippe Van Haute, Queering Freud? — Drift, trauma en het oedipuscomplex, waarin hij laat zien dat Freuds uitgangspunt bij de seksualiteit, het polymorf-perverse van het subject, doorheen de tijd voortdurend aanwezig is geweest, ook al heeft hij pas vanaf 1910 over het oedipuscomplex gesproken. Niet dat dat de enige mogelijke structuur voor de mens zou zijn, maar juist één keuze uit vele mogelijkheden om lust te genieten. Het boek Queer speelt hierop in en beperkt zich tot de seksualiteit in de breedste zin van het woord.

Pas toen ik het boek bijna uit had gelezen, werd mij een overzicht voorgeschoteld van de queer ideologie in relatie tot de psychoanalyse, geschreven door Anneleen Masschelein. Een heldere tekst die beter ergens vooraan in het boek had kunnen staan. Maar ik begrijp ook dat eerst een hommage aan Philippe Van Haute gegeven moest worden. Hij had eerder gepubliceerd over de relativiteit van het oedipuscomplex waarmee hij een bijdrage leverde aan de queerdiscussie. Voor hem was Freud niet alleen de grondlegger van de psychoanalyse, maar heeft hij met zijn idee van het polymorf-perverse van de mens het terrein bereid van de postmoderne opvattingen over de seksualiteit. Terecht opent het boek met de eerste inhoudelijke bijdrage van zijn hand: Queering Freud? — Drift, trauma en het oedipuscomplex, waarin hij zich verzet tegen een monolithische (sic) en tendentieuze lectuur van Freuds teksten. Samen met Herman Westerink is hij opnieuw vertrokken vanuit Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit, Aan gene zijde van het lustprincipe en De man Mozes en de monotheïstische religie, om aan te tonen dat de idee van polymorfe perversie niet is geweken voor het oedipuscomplex. Daarmee is de toon gezet voor dit boek.

De tweede auteur, filosoof Paul Moyaert, haakt met Perversies parodiëren Oedipus — Postuum in gesprek met Philippe Van Haute in op de stellingname van Van Haute. Deze bijdrage vertrekt vanuit Freuds ‹Een kind wordt geslagen›, waarin een poging wordt gedaan het begin van de perversies te traceren. Perversies zouden geen oedipale problematiek inhouden, maar zouden hun wortels hebben in vroegkinderlijke lichamelijke genietingen die de verdere oriëntatie van ieder seksueel genot blijven bepalen waarin de latere seksueel perverse voorkeuren te herkennen zijn. Freud noemt die voorkeuren, ‹niet te elimineren seksuele obsessies›, perverse ‹deelobjecten› en het genot aan deze driften ‹auto-erotiek› (p. 52). Auto-erotiek kent geen object, noch fantasie. Volgens het lustprincipe is de primaire reactie van het lichaam driftspanning evacueren. Driften veroorzaken excitaties die als beangstigend worden beleefd, iets waartegen het lichaam beschermd moet worden. Het lustprincipe behelst dus ook angst, aldus Moyaert (p. 55). Dat idee komt in de buurt van Lacans ‹jouissance›. Een citaat van Moyaert: ‹Rechtstreekse toegang tot onze seksualiteit is in de visie van Lacan een conceptueel onding. Je binnen is alleen toegankelijk via een extern standpunt, de Ander› (p. 58). Je identiteit, dus ook de seksuele, komt tot stand via de spiegelende ander (imaginair) én de Ander die instaat voor het symbolische van de taal. Moyaert vraagt zich af waar bij Van Haute de lacaniaanse insteek is gebleven waarmee hij zich vroeger zo intensief heeft beziggehouden. Lacan heeft immers benadrukt dat uit het eigen lichaam — ook wat de driften betreft — geen betekenis gehaald kan worden, maar dat dat vermogen van buitenaf aangereikt moet worden, dus in feite extiem is. Dat is bij Van Haute niet meer terug te vinden, maar zou wel een goede verbinding met het queer discours hebben kunnen realiseren.

Jens De Vleminck werpt met zijn Het enigma van Tiresias — Identiteit in tijden van non-binariteit een verrassende kijk op het thema van Queer. Tiresias wordt door een vertoornde Hera veranderd in een vrouw en later weer in een man. De ene keer omdat hij parende slangen met een stok had geslagen, en de andere keer omdat hij later dezelfde scène met de slangen zag, maar ditmaal zonder in te grijpen. Dan wordt hij door Zeus op de Olympus ontboden om een echtelijke twist tussen hem en Hera te beslechten, en werd Tiresias de vraag voorgelegd wat de twist behelsde: ‹Wie geniet meer van seks, de man of de vrouw?› Vanuit eigen ervaring antwoordde hij: ‹De vrouw.› Teleurgesteld en kwaad omdat hij het geheim van de vrouw had verraden, stak Hera hem de ogen uit. Zo werd Tiresias de blinde ziener. Deze mythe gebruikt De Vleminck om de tegenstelling tussen ‹gendercongruentie› en ‹genderincongruentie› te onderstrepen, in feite symptomatisch voor een miskenning van de onmogelijkheid van een complete toe-eigening in het Reële (p. 77). Michel Thys vat dit thema op in zijn Het vreemde eigen lichaam — Polymorfe genderidentiteit bij Freud en Klein. Dat laat zien dat het jonge kind worstelt met zijn lichaam als het gaat om sekseverschil, wat een bron is voor genderfluïditeit en transgenderisme.

In een volgend deel van het boek komen klanken uit de spreekkamer naar voren. Trees Traversier besteedt aandacht aan de complicaties die kunnen optreden in gezinnen waar er sprake is van ouderschap van partners van hetzelfde geslacht. Beatriz Santos geeft een schets van de situatie in Frankrijk van de problematiek van het homo-ouderschap. Lut De Rijdt bespreekt in haar casuïstiek ook haar eigen reacties bij de behandeling van jongeren met genderdysforie. Ilse Deurinck pleit vanuit haar klinische achtergrond voor een herziening van de psychoanalyse die de heteronormatieve Oedipus relativeert tot een van de mogelijke keuzes die in het genderdomein voorhanden zijn.

In een cascade van postmoderne termen bespreekt Thamy Ayouch het commentaar van Judith Butler op Foucaults Lichaam en lusten uit zijn Geschiedenis van de seksualiteit. Deze tekst ontsnapte aan mijn vermogens tot abstraheren. Fons Van Coillie duikt in het ethologisch onderzoek om overeenkomsten tussen mens en dier aan het licht te brengen in relatie tot de seksualiteit. In het een-na-laatste hoofdstuk graaft Patrick Vandermeersch queerfenomenen op uit de geschiedenis van het christendom. In zijn analyse vraagt hij zich af of de psychoanalyse genderidentiteit kan loskoppelen van een geseksueerde lichamelijkheid met het genitale als primaat.

Alles bij elkaar een intrigerend boek over de relativiteit van het oedipuscomplex, waarmee plaats wordt gemaakt voor non-binaire lustbeleving. Zowel Michel Foucault met zijn Geschiedenis van de seksualiteit als Anti-Oedipus van Deleuze en Guattari hebben hun sporen getrokken in het genderdiscours. Daarbij wordt het standpunt van Freud en Lacan over het primaat van het lustprincipe weleens uit het oog verloren.

Moeten wij om ons te bevrijden van het binaire seksualiteitsdenken het symbolische dat door differentie van woorden betekenis genereert, maar helemaal overboord gooien — zoals Foucault ergens propageert? Dat zou bizar zijn. Volgens mij heeft Foucault zich hier in een paradox opgesloten.

Nog een kort commentaar. In mijn ogen is bij het binair discours in de postmoderne ideologie van de seksualiteit een denkfout geslopen. Het zou de Wet die het verbod op incest inhoudt op flagrante wijze negeren. Het symbolische zou daarmee worden veronachtzaamd; er zou dan geen differentie meer mogelijk zijn, ook niet ten aanzien van het seksuele. Het polymorf perverse en het oedipuscomplex zijn fenomenen die naast elkaar bestaan, maar wel nauw met elkaar verweven zijn. Het een hangt samen met het verlangen dat ontstaat bij de separatie en aliënatie van het subject en het andere — het oedipuscomplex — legt nadruk op de symbolisatie van het subject waarin er differentiatie mogelijk is geworden. Het oedipuscomplex vertegenwoordigt de Wet-van-de-Vader en geeft daarmee structuur aan het subject. Het polymorf perverse vindt zijn oorsprong in de primordiale splitsing in het subject zelf, tussen lichaam en psyche, tussen ding en woord. Met die splitsing is het verlangen ontstaan dat vorm gegeven kan worden in van alles en nog wat, polymorf pervers.

Vorige Inhoudsopgave Volgende
Twitter Facebook Linkedin
Delen Print PDF

© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 1382-516x


De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:


Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

Jaargang 32, nr. 2, juni 2026

Neem een ABONNEMENT Laatste editie Archief

Nieuwsbrief Boom Psychologie

Meld u nu aan en ontvang maandelijks de Boom Psychologie nieuwsbrief met aantrekkelijke aanbiedingen en de nieuwe uitgaven.

Aanmelden

Boeken

Diagnostiek in de praktijk
Frans Schalkwijk
€ 39,50
Meer informatie
Positieve psychologie - De toepassingen
Fredrike Bannink
€ 24,95
Meer informatie

Privacy policy

Algemene voorwaarden

© 2009-2026
Boom uitgevers Amsterdam

Redactieadres

Romana Goedendorp

Miquelstraat 131

2522 KN  Den Haag
tvpsychoanalyse@gmail.com

Klantenservice

Boom uitgevers Amsterdam B.V.

Postbus 15970

1001 NL Amsterdam

Nederland

088-0301000

klantenservice@boom.nl